Terug
Schermafbeelding 2025-12-03 om 16.54.51.png
Gemeente

Kunst & Cultuur (43)

Geert C.A.M. Christenhusz |

Het is de laatste tijd een veel gebruikte term, een begrip, een middel om provinciale subsidies los te praten en om ontvankelijke zielen voor tradities en liefde voor stad en streek week te maken; erfgoed! Ook in Twente en in onze eigen Boeskoolstad zijn we trots op ons erfgoed en het in standhouden en conserveren ervan is de laatste tijd een serieuze zaak geworden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ontwikkeling en professionalisering die het museum in Oldenzaal doormaakte. Ook de blinde afbraakwoede van oude panden, die vooral in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw woedde, is gelukkig tot bedaren gekomen en op de Face Book-pagina Oud Oldenzaal  is te zien hoezeer inwoners van onze stad en zij die elders wonen, maar hier geboren zijn, waarde hechten aan herinnering aan en herkenning van het vertrouwde en dat geldt niet alleen voor gebouwen die we visueel waarnemen, maar ook voor wat we horen; geluiden, muziek, taal. Dat wil niet zeggen, dat door een verlammende behoudzucht de deur naar nieuwe inzichten en maatstaven angstvallig gesloten moet blijven. De kunst bestaat erin al het nieuwe te bouwen op de fundamenten van het voorbije. Waarbij aangetekend dient te worden dat die fundamenten ‘betonrot’ kunnen vertonen die noodzakelijkerwijs verwijderd moet worden. Verder is er een groot verschil tussen gebruikskunst/cultuur en autonome kunst/cultuur; zal in het eerste geval de hang naar traditie overheersen, in het tweede gaat men eerder de uitdaging tot vernieuwing aan. Traditionele feesten als carnaval worden  gekenmerkt door, het bijvoeglijk naamwoord zegt het al, tradities op het gebied van kleding, taal, muziek en vormgeving, een entourage dus, gecreëerd door culturele- en ‘kunstige’ creativiteit.  Bij carnaval speelt ook de ‘gewestelijke omgeving’ een grote rol. Vergelijk het Brabants carnaval met dat in Limburg, of het Westfaalse (Münster) met het Rijnlandse (Keulen) en het verschil zal u duidelijk worden. Deze mix van (gewestelijke) tradities en gebruikscultuur levert de juiste ingrediënten voor het welslagen van het carnavalsgebeuren, een duik in de kleurrijke fantasiewereld waar alle wetmatigheden even op de helling gaan en de zotheid regeert. De laatste jaren ontwaar ik een tendens in ons, gewestelijk, carnaval waarin een aantal basiselementen steeds meer ontbreekt. Ik doel hier vooral op (carnavals)muziek en (streek)taal. In de optochten overheerst de ‘dreun’, een samengaan van elektronische bas en base drum en wel dusdanig dat bij het passeren van zo’n wagen of groep je ingewanden spontaan opspringen. En mocht je de pseudo-Twentse teksten willen lezen die op wagens, karretjes of kostuums zijn aangebracht, dan herken je je eigen streektaal niet meer. Trouwens in proclamaties en toespraken van hoogheden, secretarissen, presidenten en anderen van de verschillende verenigingen hoor en zie ik ook de worsteling met het Twents.

Frappant is het dat veel carnavalsvierders met mij dit constateren en dat zij het als een minpunt in de beleving van het zottenfeest ervaren, maar dat het euvel elk jaar terugkeert en zelfs grotere vormen aanneemt. Mijn vraag: Kan er, net als in Limburg trouwens, een richtlijn komen t.a.v. de muziekkeuze (carnavalsmuziek/passende muziek), het aantal decibels van geluidsinstallaties en het (correcte) gebruik van onze mooie streektaal? Op mij mag in dezen altijd een beroep worden gedaan.     

 

 

Geert C.A.M. Christenhusz.